De ijstijden
De klimaatgeschiedenis van Europa kenmerkt zich door een afwisseling van relatief warme en relatief koude periodes. Aangezien de meest in het oog springende kenmerken van deze periodes, behalve natuurlijk de temperatuur, de groeiende en slinkende ijsmassa's zijn, staan deze bekend als de ijstijden.
De reden hiervoor is een combinatie van factoren: de baan van de aarde om de zon en de manier waarop de aarde om zijn eigen as draait geen van beiden constant zijn. Ook de scheefstelling van de aardas varieert heel licht, met een periode van 41.000 jaar. Al dit gewiebel leidt er toe dat de hoeveelheid zonnestraling die op een bepaald deel van de aarde valt, West-Europa in ons geval, evenmin constant is. Het uiteindelijke gevolg hiervan zijn de ijstijden die gemiddeld om de 100.000 jaar optreden. In de recente geschiedenis worden 4 ijstijden onderscheiden, maar voor Nederland en met name Wieringen zijn alleen de laatste twee ijstijden interessant. Overigens zijn er binnen de ijstijden nog volop fluctuaties in de gemiddelde temperatuur.
De voorlaatste ijstijd wordt Saalien genoemd en duurde van 200.000 tot 130.000 jaar voor nu. Tijdens de koudste periode binnen het Saalien was een groot deel van Europa, tot ongeveer halverwege Nederland, bedekt met ijs. De gletsjers namen allerlei steenmateriaal mee vanuit Skandinavië, de zwerfkeien die in ruime mate op Wieringen aanwezig zijn, en zorgden tevens voor het heuvelachtige landschap. De heuvels van Wieringen (en Texel, Gaasterland en nog enige andere plaatsen in Nederland zijn stuwwallen. Het resultaat van de enorme kracht van de voortschuivende gletsjers. De formaties van het Saalien staan in Nederland bekend als de formatie van Drenthe.

Na 70.000 jaar kwam West-Europa in een warme periode terecht, een zogenaamd interglaciaal. De interglaciaal die 130.000 jaar geleden begon en 30.000 jaar duurde wordt het Eemien genoemd. Het Noordzeegebied kreeg langzaam een subtropisch klimaat en door de zeespiegelstijging verdween het grootste deel van West-Europa onder water. Interglacialen zoals het Eemien zijn de oorzaak dat we honderden kilometers van de zee in heuvels fossiele vissen en schelpen kunnen vinden. Er zijn zelfs fossiele koraalformaties uit de Waddenzee bekend!
De voorlopig laatste ijstijd heet het Weichselien en duurde van 100.000 tot 10.000 jaar voor nu. Het is de tijd waarin de Neandertaler mens en onze voorouders gezamenlijk door de toendravlaktes die Nederland en de drooggevallen Noordzee bedekten dwaalden. De gletsjers kwamen dit keer niet tot Nederland, maar de invloed die van het ijs uitging op het klimaat bleek zich wel degelijk. Volgens de hierboven beschreven logica is er geen reden om aan te nemen dat het Weichselien de allerlaatste ijstijd was, broeikaseffect of niet. Strikt genomen bevinden we ons nu al zo'n 10.000 jaar in een interglaciaal, door geologen het Holoceen genoemd. Het is volstrekt onduidelijk of we ons al op het hoogtepunt van het interglaciaal bevinden en dat het vanaf nu weer langzaam kouder wordt of dat het de komende 10.000 jaar nog warmer wordt. Binnen het klimaat tijdens Holoceen zijn er al allerlei koudere en warmere periodes geweest: zo was de periode van ca. 700 tot ca. 1300 relatief warm en wordt de periode van ca. 1500 tot ca. 1700 ook wel de kleine ijstijd genoemd. Dergelijke klimaatveranderingen blijken van grote invloed geweest te zijn voor de loop van de wereld geschiedenis. De algemene trend van de laatste 10.000 jaar is echter een stijgende temperatuur geweest.
Laatste wijziging: 13-8-2000