Geschiedenis - De Codex Eberhardi uit Fulda
Waarom Fulda?
In Fulda stichtte Bonifatius een klooster met bijbehorende kerk als uitvalsbasis voor zijn bekeringswerk in het wilde Noorden waar de heidense Saksen en Friezen woonden. De Brit Bonifatius (of Wynfrith zoals hij eigenlijk heette) had van de Frankische koning de opdracht gekregen de pas verworven gebiedsdelen te bekeren tot het christendom, opdat ze zo beter in het gareel te houden zouden zijn (al zal dat eerder een onuitgesproken bijbedoeling zijn geweest). Bonifatius pakte het voortvarend aan, werd bekend als "de apostel der Saksen" (zijn collega Willibrord werd "de apostel der Friezen") en stierf in 754 bij Dokkum de martelaarsdood. Zijn gebeente werd in zijn eigen klooster te Fulda bijgezet. Sindsdien vormde het klooster een belangrijke machtsfactor in Frisia, omdat veel bekeerde Friezen hun land schonken aan Bonifatius - vertegenwoordigd door het klooster van Fulda.
Ego Gebi tradidi ad monasterium sancti Bonifacii in pago Wirense curtilem unam cum omnibus que ad eam pertinent, terris et mancipiis, domibus et mancipiis…
Ik, Gebi, heb aan het klooster van St. Bonifacius in de streek Wieringen overgedragen één hofstede met alles wat daartoe behoort, landerijen met de horigen en behuizingen met de horigen
2:
Ik, Gerwic uit Friesland, draag aan St. Bonifacius van het klooster te Fulda over het land dat onder mijn rechtsmacht valt bij de stroom van het Marsdiep en al wat ik aan eigendom had, hetzij aan akkers of weiland, bossen, huizen of horigen.
Ego Gerwic de Fresia trado sancto Bonifacio ad Fuldense monasterium terram iuris mei iuxta fluvium Maresdeop et quicquid proprietatis habui sive in agris vel pratis, silvis, domibus vel mancipiis…
Toelichting: Het Marsdiep was in die tijd een beek die de streken Wieringen en Texel, beiden veel groter dan tegenwoordig, van elkaar scheidde. Broeder Everhard ging overigens niet altijd even nauwkeurig te werk, want de gift van Gerwic komt twee keer voor in de Codex, al is het niet in gelijke bewoordingen.
3:
Ik, Geltrud, heb aan het klooster van St. Bonifacius overgedragen al mijn bezit aan akkers, bossen en van de weiden XX karrevrachten hooi, op de plek die Wictulfingafurt is geheten, in de streek Wieringen.
Ego Geltrud tradidi ad monasterium sancti Bonifacii omnem proprietatem meam in agris, silvis et de pratis ad XX carradas feni, in loco nuncupato Wictulfingafurt in pago Wironi…
Toelichting: Wictulfingafurt is een onbekende plaats. -Furt wijst op een voorde, een doorwaadbare plaats in een rivier. Denk aan Amerfoort, Frankfurt, Oxford, allemaal plaatsen met een zelfde soort naam. Gedacht wordt in dit geval aan een doorwaadbare plaats bij de familie van Wictulf, die ergens in het veengebied tussen Wieringen en Texel of tussen Wieringen en Medemblik gesitueerd moet worden.
4: In Godes naam dragen ik, Isanbalt en mijn vrouw Sigibirn uit Friesland, aan St. Bonifacius in de hofstede genaamd Brochenlar, in de streek Wieringen, over al wat wij hadden aan bezit, d.w.z. van het ploegland zoveel als er met XI mud bezaaid kan worden.
Ego in Dei nomine Isanbalt et uxor mea Sigibirn de Fresia tradimus ad sanctum Bonifacium in villa que dicitur Brochenlar, in pago Wirah, quicquid proprietatis habuimus, hoc est de terra arabili quantum XI modus conseri potest…
Toelichting: Brochenlar is eveneens een plaats die niet duidelijk meer aan te wijzen is. Waarschijnlijk is Brochenlar een verschrijving en wordt Brocherlar bedoeld: "broekelaar" Dit zou kunnen verwijzen naar een stuk land ten westen van Stroe die Broek(erpolder) wordt genoemd. De vroegere Wieringse uitspraak hiervan was Brook. Een hofstede ("villa") was de sociale basiseenheid in de Karolingische tijd: een landgoed bestaande uit een hereboerderij plus alle bijbehorende bijgebouwen en landerijen.
5:
Ik Hunbertus, heb aan St. Bonifacius overgedragen al wat mij in het gewest der Friezen in de streek Wieringen mijn ouders als erfenis hebben nagelaten en heel mijn bezit, te weten: akkers, weiden, grasland, bossen, water en huizen en alle inwoners.
Ego Hunbertus tradidi ad sanctum Bonifacium quicquid mihi in regione Frésionum in pago Wirah mei reliquere parentes in hereditatem, cunctamque meam possessionem, hoc est in terris, agris, pratis, pascuis, silvis, aquis, domibus ac familiis…
Toelichting: In de Karolingische tijd werd onder familie ("familia") de gehele bevolking van een landgoed verstaan.


Laatste wijziging: 11-8-2000